|
|
Oeuvre Max Niematz
| proza |
Zeven dagen oud brood (roman, Contact 2010)
Vaak is de tragedie het leven van haar slachtoffers al binnengegaan zonder dat ze het beseffen. Dat zou het geval kunnen zijn met de personages van dit boek. Jack de Goede heeft zijn moeder nooit gekend en is opgevoed door een zwijgzame vader. Het enige lichtpuntje in die tijd was oom Gilbert, een bereisd en kleurrijk man, lid van de Internationale. Maar ook het genoegen van diens bezoeken viel weg, toen pa met hem brak, aangezien oom het lef had te trouwen met een twintig jaar jongere vrouw.
Na de dood van pa vertrekt Jack op oom Gilberts uitnodiging naar de Cevennen, waar deze een vervallen burcht opknapt. De ontmoeting met zijn bekoorlijke tante Agatha, die op despotische wijze een bont gezelschap werknemers aanstuurt, vormt het begin van roerige en duistere ontwikkelingen. Jack kan er geen vat op krijgen. Ziet hij spoken? Wel is het hem duidelijk dat zijn beeld van dierbare oom Gilbert drastische herziening behoeft.
|
Het wachtlokaal (roman, Contact 2009) Sublimeren zit Miel Swartjes in het bloed, zijnde zwak en zinnelijk van karakter en vast van plan die negatieve aanleg te overwinnen. Zijn oproep voor militaire dienstplicht komt dan ook zeer gelegen. Een harde leerschool is precies wat hij nodig heeft. Afgezien van een enkele veldoefening blijkt het militaire leven weinig opwindend. Des te groter de noodzaak de spanning te zoeken in het detail. Zo stelt Swartjes met zijn timmermansoog vast dat generaal Van Hagevoorts ietsjes scheef staat bij het appèl, zeker twee graden. Het geestdodende wachtkloppen en de schraalheid van het lokaal doorstaat hij met de gedachte dat een schoenendoos altijd nog saaier is vanbinnen. De schaduwkanten van het kazernebestaan gaan op den duur wel overheersen. Hoelang kun je getreiter en verraad beantwoorden met humor en fantasie? De zwaarste beproeving komt als de kantinebaas Van Gorp zijn nek breekt en diens vrouw Miep de manschappen gaat bedienen. Swartjes raakt wanhopig in de ban van haar witte mohairen vestje. ' Gelukkig dat je haar maar half te zien kreeg vanwege de vitrine. Die ene helft was al bijna te veel ....
|
|
Kromzicht (roman, Contact 2008)
|
|
Lex Fernhout heeft veertig jaar bij zijn moeder bewoond. Hij haat haar, maar wanneer ze tenslotte naar een flat verhuist, kan hij zich niet in z’n eentje redden. Lex is leraar, lid van de sectie Frans, die behalve hem nog drie leden telt: de vooruitstrevende, bedillerige sectievoorzitter Balein en de uitgebluste, bij het oude zwerende schoolmeesters Stoof en Wiedema. Met Balein is Lex eigenlijk alleen maar bevriend vanwege hun strijd tegen die laatste twee collega’s. Het moeizame evenwicht wordt verstoord, wanneer de sectie wordt uitgebreid met een vijfde man: de jonge vrijgevochten narcist Custor Bos, die het onderwijs veracht en het liefst op kosten van de staat een onafhankelijk leventje zou willen leiden, gewijd aan luiheid, literatuur en leegte, inzonderheid aan de zeilsport. Lex raakt wanhopig gefascineerd door de plaagzieke Custor, een ontwikkeling die door de rest van het corps met lede ogen wordt bezien. Terwijl Balein Custors bloed kan drinken, wordt Lex gekweld door liefde, haat en wroeging. Steeds meer verward tussen het belang van de school en zijn heimelijke gevoelens voor Custor start Lex een psychologische oorlog die eindigt in een drama. |
|
Eilandvrees (roman, Contact 1998) |
|
Twee vreemden in een bootje (verhalen, Veen 1995) |
| poëzie: |
|
|
|
Een wonder van Morpheus (gedichten, BZZTöH 1989) |
|
De Bestijging van Popoque (gedichten, BZZTöH 1987) |